Je vliegt weer, maar je bent voor het leven besmeurd
“Heb je het al een plekje gegeven?”
Misschien is het wel de meest gestelde vraag aan mensen die rouwen. Vaak liefdevol bedoeld. Soms uit oprechte betrokkenheid. Maar ook omdat rouw ons ongemak raakt. We willen zo graag dat het lichter wordt. Dat het weer goed komt. Dat iemand weer verder kan.Alsof rouw een bestemming heeft waar je uiteindelijk aankomt.
We spreken over verwerken. Over accepteren. Over loslaten. Alsof verlies een taak is die je zorgvuldig kunt afvinken. Alsof er een moment komt waarop de wond sluit en het leven weer hetzelfde voelt. Maar verdriet en rouw is geen afval. Afval verwerk je. Verlies draag je.
Rouw is niet iets wat je achter je laat. Het reist met je mee. Omdat liefde met je meereist. Rouw is immers de achterkant van liefde, zoals liefde de voorkant van rouw is. Waar diep is liefgehad, blijft iets achter dat zich niet laat uitwissen.Daarom kan het zo’n geschenk zijn wanneer iemand, jaren later, nog eens vraagt:
“Hoe is dit nu voor je?”
Na een ingrijpend verlies moet je jezelf opnieuw leren kennen. Wie ben ik zonder jou? Hoe geef ik vorm aan een leven dat ik nooit heb gekozen? Hoe zorg ik voor de kinderen, voor mijn werk, voor de dagelijkse dingen, terwijl vanbinnen alles anders is geworden?
Het leven wacht niet. De dagen gaan door. De trein rijdt verder. De seizoenen wisselen elkaar af. Feestdagen keren terug. De wereld verwacht beweging, terwijl jij soms nog zoekt naar een manier om één voet voor de andere te zetten.
Juist dan kunnen goedbedoelde opmerkingen pijn doen.
“Je bent sterk.”
“Het krijgt wel een plekje.”
“Je moet ook weer vooruitkijken.”
Niet omdat ze verkeerd bedoeld zijn, maar omdat ze vaak het ongemak van de ander verzachten, in plaats van de pijn van degene die rouwt te ontmoeten.
De Britse schrijver Julian Barnes vond woorden die misschien dichter komen bij wat rouw werkelijk doet. In Hoogteverschillen, geschreven na het overlijden van zijn vrouw, schrijft hij:
“Je komt het niet te boven als een trein die uit de Kanaaltunnel schiet en snel verder dendert in het zonlicht. Je komt het te boven als een zeemeeuw die uit een olievlek vliegt. Je vliegt weer, maar je bent voor het leven besmeurd.”
Je vliegt weer. Je lacht misschien weer. Je werkt. Je viert verjaardagen. Je maakt plannen. Van buiten lijkt het alsof het leven zijn gewone gang weer heeft gevonden.Maar de olie blijft zichtbaar als een spoor van liefde. Een litteken dat vertelt dat er iemand of iets was dat van onschatbare waarde was.Niet dat je moet loslaten. Maar dat je leert leven met wat je voorgoed heeft veranderd. Dat je ruimte maakt voor het verhaal dat nooit helemaal af is.
Je komt het te boven als een zeemeeuw die uit een olievlek vliegt.
Het ebt en vloedt
Het ebt en vloedt
de zeemeeuw vliegt
steeds hoger in de lucht.
De wolken zwijgen,
drijven langzaam
de verte in
of lossen op
in eindeloze tranen
die vallen waar het smelten mag,
zomaar overdag.
Onder mijn parasol
komt de vloed in mij
zomaar voorbij,
en eb ik weg
naar herinneringen,
naar dat wat was en nooit
meer komen zal.
Ik teken met mijn vinger in het zand
jouw naam,
net zo lang tot de zon ondergaat.
De zee komt terug
zoals zij altijd doet.
Ze leest jouw letters,
neemt ze woordeloos mee,
tot niets meer zichtbaar is
dan water, wind
en het ritme van de tijd.
Toch weet ik
dat sommige namen
niet uitgewist worden.
Ze blijven wonen
waar geen golf ooit reikt,
zacht als het licht
dat nog even
op de horizon blijft rusten.
En als de avond valt,
draai ik me om
zoals de zee het strand.
Niet omdat ik je vergeet,
maar omdat liefde soms
alleen nog hoeft te bestaan
in het ebben en vloeden
van mijn hart.
Roza Boer
